Een kracht kan een druk uitoefenen. De grootte van de druk die een kracht uitoefent, hangt af van het oppervlakte waarop de kracht werkt.
Als een kracht werkt op een klein oppervlakte is de druk groter dan als dezelfde kracht werkt op een groot oppervlakte.
Je kunt de druk berekenen met deze formule:

Druk = kracht / oppervlakte

De eenheid voor kracht is N.
De eenheid voor oppervlakte is cm² of .
De eenheid voor druk is N/cm² of N/m².

Voorbeeld:

Een schaatser staat aan de start van een wedstrijd.
Bij de start staat de schaatser(massa 82kg) heel even op één schaats. Het ijzer van de schaats heeft een contactoppervlak van 5,0cm² met het ijs.

Hoe groot is op dat moment de druk onder het ijzer als hij op één schaats staat?
Druk = kracht / oppervlakte
820N / 5,0cm² = 164N/cm²