Blok 1.1

Een stof in de vaste fase heeft bij de meeste stoffen de minste ruimte nodig, alleen bij water is dit niet zo, daarom “drijft” ijs op water. Bij alle andere stoffen is dat niet zo. Bij alle andere stoffen heeft het in de vloeibare fase meer ruimte nodig dan in de vaste fase. Een stof in de gasfase heeft nóg meer ruimte nodig!

Blok 1.2

Atomen zijn de kleinste deeltjes waaruit stoffen zijn opgebouwd. Atomen zijn de bouwstenen voor stoffen, het kleinste deeltje dat nog de stofeigenschappen van een stof bevat is een molecuul. Een molecuul bestaat dus uit atomen. De atomen die je moet leren zijn, H (waterstof), He (helium), C (koolstof), N (stikstof), O (zuurstof) en S (zwavel). Doe hieronder de atomen memory!


Nu we een aantal atomen kennen kunnen we veel van de belangrijkste stoffen maken, zo’n stofdeeltje noemen we een molecuul. Een aantal basismoleculen moet je leren. Die kun je leren aan de hand van een moleculen memory spel, de moleculen die je moet kennen zijn:

  • Water (H2O)
  • Koolstofdioxide (CO2)
  • Aardgas (CH4)
  • Glucose (C6H12O6)
  • Koolstofmonooxide (CO)

Heb je dit samenvatting blok goed bestudeerd en de beide memory spellen gedaan? Dan kun je de bijbehorende oefen SO maken die hieronder staan: